Krantenartikel


Hun hebben de taal verkwanseld

11 oktober 2003

Over vijftien jaar is 'hun hebben' correct taalgebruik, menen sommige taalkundigen. Dat is ook niet erg: taal is immers geen museum. Anderen hekelen deze 'laat-maar-waaien-mentaliteit'. De wetenschap moet ten strijde trekken tegen de 'Hunnen' die het Nederlands vervuilen.

'Hun hebben', 'groter als', 'het boek wat ik lees, 'een mooie verhaal', 'de man wie de bal hebt.'

Het is geaccepteerde spreektaal, die allang niet meer alleen door voetballers gebezigd wordt. Maar dat lijkt nog maar het begin. Volgens een aantal toonaangevende taalkundigen treden dergelijke grammaticale constructies binnen tien, vijftien jaar toe tot het goedgekeurd Standaardnederlands. We moesten er maar aan wennen, zeiden de taalkundigen vorige week op een congres. De taal is nu eenmaal dynamisch, dus is weemoed niet op zijn plaats.

Een van hen, Fred Weerman, hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de universiteit van Amsterdam, voegde er nog aan toe dat ook allochtonen meebouwen aan het Nederlands van de toekomst. Zij leren nooit dat een constructie als 'een mooie verhaal' fout is. Sterker nog: 'Uit onderzoek blijkt dat witte kinderen op zwarte scholen "zwart Nederlands" spre- ken.'

Hoe nu? Werd hier op een onbewaakt ogenblik de Nederlandse taal verkwanseld door de beroepsgroep die zich juist schrap zou moeten zetten tegen de taalverloedering? Hadden we niet net besloten dat Nederland niet meer, zoals de afgelopen dertig jaar, slordig zou omspringen met de eigen geschiedenis, de eigen taal en de eigen cultuur? Was er niet juist overeenstemming over de behoefte aan duidelijker normen, zodat iedereen weer zou weten waar we ons eigenlijk aan te houden hebben? Ademde dit congres, kortom, niet de defaitistische 'laat maar waaien'-geest van de achteraf zo verfoeide jaren zeventig?

Een paar dagen later schreef Jan Blokker: 'In andere beschaafde landen schijnen filologen zich nog wel eens schrap te willen zetten om van de eigen taal zoveel mogelijk te redden. Hier niet.'

Fred Weerman voelt zich niet aangesproken. 'Wij doen, als wetenschappers, niets anders dan constateren dat deze veranderingen plaatsvinden. Wij registreren wat er gebeurt. Het zou pas triest zijn als we dat niet zouden doen.'

Maar vervolgens pleit Weerman wel degelijk voor 'tolerantie' ten aanzien van verschillende variŽteiten van de Nederlandse taal. 'Dat moet wel, als je wilt dat de taal functioneert. Je kunt je wel schrap zetten; je kunt heel kunstmatig de norm willen handhaven, maar dat ondergraaft de taal juist. Het zou betekenen dat straks niemand meer het Nederlands spreekt zoals het volgens de norm zou moeten.'

Ook collega Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar taalvariatie van het Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, houdt zijn op het congres verkondigde mening overeind. 'Veel mensen zien taal als monument. Maar taal is levend. De standaardtaal is altijd de weerslag geweest van het taalgebruik uit de eigen tijd. De taal is niemands eigendom, ook niet van de overheid. Het normgevend centrum, dat zijn wij allemaal. De standaardtaal past zich voortdurend aan. Ik vind dat ook goed. Ik bepleit inderdaad dat de standaardtaal het algemeen taalgebruik volgt. De Van Dale doet precies hetzelfde. Nieuwe woorden worden gemeengoed. Ik gebruikte vroeger het woord 'mieters'. Dat staat in de Van Dale. Mijn dochters zeggen 'vet cool'. Wellicht haalt dat ooit ook de Van Dale. Hetzelfde zou moeten gelden voor de grammatica. Sommige constructies verdwijnen, andere komen erbij.'

Voorbeelden te over. Bennis: 'Als iedereen "groter als" gebruikt, dan heeft het weinig zin om te zeggen: dat is fout. Bovendien: vroeger was "groter als" goed. En volgens de taalsystematiek is er ook geen reden om het fout te verklaren. Hetzelfde geldt voor "hun hebben". Dat is net zo logisch als "zij hebben". Zelfs tegen "de man wie de bal hebt" is grammaticaal weinig in te brengen. Of neem dat voorbeeld van Weerman: allochtonen hebben de neiging om te zeggen: een grote huis. Dat maakt de taal eigenlijk mooier, duidelijker.

Waarom zou je niet "een grote huis" zeggen als je ook "een grote tafel" zegt? De regel die dat voorschrijft is bizar en er is bijna niemand die die regel kent.'

"Nee," zegt Bennis, "die neiging tot verandering komt niet voort uit de gedachte om een knieval te maken voor buitenlanders die moeite hebben om Nederlands te leren. Dat neemt niet weg dat sommige taalconstructies moeilijk te leren zijn. Ook academisch geschoolde allochtonen zeggen "een grote huis". Het is bijna onmogelijk om dit goed te leren. En ik vermoed dat er een moment komt dat ook Philip Freriks, Noraly Beyer of tenminste hun opvolgers het gaan zeggen: "een grote huis". Dan kun je moeilijk nog beweren: dat moeten we tegenhouden. Als je dat doet maak je de taal pas dood. De overleving van de taal ligt in de dynamiek. De taal musealiseren, er een hek omheen zetten met een politieagent erbij, dat is de garantie dat de taal niet overleeft."

Overigens wil Bennis niet alles op zijn kop zetten. Wat betreft spelling zijn er wel degelijk conventies die vergelijkbaar zijn met verkeersregels. 'Er zijn normen over spelling en die zijn wel maakbaar. Kijk maar naar die onverstandige spellingscommissie die ons nu, tegen de logica in, pannenkoek en eendenei laat schrijven.'

Toch blijft er iets wringen. In de congresbundel Waar gaat het Nederlands naartoe? schrijft Hans Bennis strijdbare zinnen als 'De Nederlandse taal is niet het exclusieve eigendom van een elitaire bovenlaag van de Nederlandse bevolking, maar behoort alle Nederlandstaligen in Nederland en Vlaanderen toe.' Dat is precies wat Jan Kuitenbrouwer, die overigens als eerste een heel breed publiek wist tebereiken met zijn boek Turbotaal (1987),al vermoedde. 'Het taalestablishment is zich op trends gaan richten. De schoorvoetende normbewaker is zelf een swinger geworden. In de jaren zeventig is het idee geboren dat de expressie boven de norm stond. Leraren Nederlands in spijkerpak doopten het Nederlands-lokaal om tot 'Taaltuin', lieten de leerlingen in een grote kring op de grond zitten en zeiden: "Vergeet de regels, zeg het gewoon". Ik noem die episode in de geschiedenis van het Nederlandse taalonderwijs altijd: De muiterij op het Kofschip.'

Wat Kuitenbrouwer maar wil zeggen: 'Er is bij taal een natuurlijke rolverdeling: je hebt de democratische gebruiker en de norm. Normaal is het zo dat als de gebruiker iets wil veranderen, hij heel lang tegen de normbewaker gaat aandrukken. Pas als de druk te groot wordt geeft de normbewaker mee. Zo hoort het te gaan. Maar je ziet nu dat de acceleratie van het taalestablishment zelf komt. Als je zo lichtvaardig omgaat met de standaard, dan denkt het grote publiek: het is dus niet erg als ik fouten maak.'

Zelf is hij ook ambivalent, geeft Kuitenbrouwer toe. Hij is immers dagelijks in de weer met de taal van de 'democratische gebruiker,' het Hedenlands, zoals hij het noemt. 'Als ik wel eens wijs op de taalverloedering, dan word ik doorgaans direct terecht gewezen. En terecht. Ik ben het er ook mee eens dat taal niet statisch is, taal is nog het best vergelijkbaar met mode.

Daarbij heeft taal het voordeel dat het gratis is. Ook al heb je geen geld, toch kun je op de middelbare school meedoen aan de stijlstrijd. En als bepaalde woorden of constructies in de taal sluipen en algemeen gebruik worden, dan moet je op een gegeven moment toegeven en de standaardtaal aanpassen. Maar wat wrevel wekt is dat je bij voorbaat al op je rug gaat liggen. Die ostentatieve gretigheid om de standaardtaal voortdurend te vernieuwen heeft iets verdachts. Het heeft volgens mij te maken heeft met de typisch Nederlandse angst om ouderwets te worden gevonden. Ik vind dat het taalgezag zich ook wel eens mag doen gelden.'

Dat vindt ook een andere relatieve buitenstaander, Neerlandicus en cultuurhistoricus Herman Pleij. 'We zijn het er allemaal over eens dat de taal voortdurend verandert, bijvoorbeeld door de invloed van andere talen. Dat is altijd gebeurd en dat is ook goed. Maar we hechten in Nederland wel erg weinig aan nationaal cultuurgoed. Nergens in Europa is de nationale munt zo snel vergeten als in Nederland. Bijna niemand vindt het ook echt erg dat de KLM verdwijnt.

De keerzijde van ons mooie poldermodel is dat de 'alles mag'-mentaliteit voortdurend op de loer ligt. Dat moeten we niet laten gebeuren met onze taal. Ik heb begrepen dat de versimpeling van de taal, de creolisering van de taal toeneemt, onder meer door de grote invloed van tweede taalverwervers. Daar moet je wat tegen doen. Taalkundigen hebben daar wel degelijk een rol in. Het is de discussie over de descriptieve wetenschapper versus de prestrictieve wetenschapper.

Ik vind dat de wetenschapper niet alleen moet onderzoeken en beschrijven, hij heeft ook een didactische taak. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de wetenschapper om zich af te vragen: wat gaan we vervolgens doen met de resultaten van onderzoek? In dit geval betekent dat: actie ondernemen. tegen de versimpeling van de taal.'

Onder taalkundigen is de eensgezindheid groot over de 'tolerante, volgende' visie op taalveranderingen, zo hadden Hans Bennis en Fred Weerman al verzekerd. Maar er zijn uitzonderingen. In Nijmegen fronste Toon Hagen, emeritus-hoogleraar aan de universiteit aldaar, zijn wenkbrauwen toen hij het verslag las van het taalcongres waarvoor hij zelf verhinderd was.

Hagen verdedigt de stelling dat de formele standaartaal een norm nodig heeft. 'Juist als mensen Nederlands als tweede taal moeten onderwijzen is een standaardnorm essentieel.' Hagen bestrijdt dat 'hun hebben' over tien, vijftien jaar het journaal haalt. 'Want het formele deel van het journaal staat onder controle, uitgeoefend door de geschreven norm. Wat Philip Preriks voorleest, is uitgeschreven spreektaal. Pas als weerman Erwin Krol komt, zie je dat de tekst niet langer is opgeschreven. Dan krijg je zinnen als: "Morgen denk ik dat het regent". Het onderscheid tussen de formele taal en de informele taal, of het nu Poldernederlands of de Vlaamse tussentaal is, is groot, en dat moet ook zo blijven.'

Veranderingen in de taal gaan zeer geleidelijk, aldus Hagen. 'Het kan eeuwen duren voordat een ontwikkeling doordringt tot de standaardnorm. Daar is veel voor te zeggen. Weliswaar rukken de 'Hunnen' op in onze taal, maar taalwetenschappers hebben de taak om de moedertaal te bewaken. Wij hebben een didactische functie. Sterker nog, we hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid, we horen aan taalpolitiek te doen. In BelgiŽ corrigeren leraren en universiteitsdocenten niet alleen fout geschreven taal, maar ook een verkeerde uitspraak. Daar zouden we in Nederland een voorbeeld aan kunnen nemen.'


Gaspar Janssen

Bron: De Volkskrant, 11 oktober 2003